UN1EK onderwijs

De basisopdracht van UN1EK onderwijs is om goed onderwijs te bieden aan de kinderen die ingeschreven zijn. In de wet zijn de onderwijsdoelen beschreven. Het onderwijs moet doen aan persoonlijkheidsvorming, sociale vorming en arbeidstoeleiding. De basisvakken en basisvaardigheden zijn uitgangspunt voor de inrichting van het onderwijs. De basis moet op orde zijn.


Er is in Nederland vrijheid van onderwijs. De overheid heeft brede kaders geformuleerd in zogenaamde kerndoelen. De vrijheid van onderwijs maakt het voor onderwijslocaties mogelijk om eigen keuzes te maken en een eigen ‘kleur’ te geven aan de inrichting van het onderwijs. Alle scholen en IKC’s maken keuzes gericht op de doelgroep kinderen die uitgewerkt worden in een visie en profiel.

Strategische Doelen

Met de fusie op 1 augustus 2014 is de samenwerking tussen onderwijs en opvang officieel bekrachtigd. Deze fusie maakt het mogelijk om IKC’s te realiseren. De kaders hiervoor en voor de nieuwe organisatie zijn in 2014 vastgelegd in een nieuw ontwikkeld strategisch beleidsplan 2014-2018 voor UN1EK onderwijs en opvang:

· IKC’s van UN1EK versterken het zelfverantwoordelijk leren van kinderen;

· IKC’s van UN1EK bieden kinderen doorlopende leer-, zorg- en ontwikkelingslijnen die ruimte geven voor brede ontwikkeling en maximale talent ontplooiing;

· IKC’s van UN1EK dragen bij aan een duurzame samenleving en gaan concreet aan de slag met het kweken van bewustzijn op dit thema bij kinderen en medewerkers;

· IKC’s van UN1EK spelen een verbindende rol in de wijk en doen dat op een eigen herkenbare wijze.

De basisopdracht van UN1EK onderwijs is om goed onderwijs te bieden aan de kinderen die ingeschreven zijn. In de wet zijn de onderwijsdoelen beschreven.

Het onderwijs moet doen aan persoonlijkheidsvorming, sociale vorming en arbeidstoeleiding. De basisvakken en basisvaardigheden zijn uitgangspunt voor de inrichting van het onderwijs. De basis moet op orde zijn.

Er is in Nederland vrijheid van onderwijs. De overheid heeft brede kaders geformuleerd in zoge­naamde kerndoelen. De vrijheid van onderwijs maakt het voor onderwijslocaties mogelijk om eigen keuzes te maken en een eigen ‘kleur’ te geven aan de inrichting van het onderwijs. Alle scholen en IKC’s maken keuzes gericht op de doelgroep kinderen die uitgewerkt worden in een visie en profiel.


Passend Onderwijs

Sinds 1 augustus 2014 is de Wet Passend Onderwijs van kracht. Met de komst van deze wet hebben scholen zorgplicht gekregen. De zorgplicht houdt in dat scholen verantwoordelijk zijn voor een passende plek voor een leerling. Als een kind extra ondersteuning nodig heeft is het aan de school om dat samen met de ouders te organiseren. Dat kan op de eigen school, dat kan op een andere school of in een speciale onderwijsvoorziening.


De doelen die de overheid met deze wet voor ogen heeft zijn:

  1. dat alle kinderen een passende plek in het onderwijs krijgen;
  2. dat een kind als het kan naar een reguliere school gaat. Als dat niet kan, naar een school in het speciaal onderwijs;
  3. dat scholen meer mogelijkheden krijgen voor ondersteuning op maat;
  4. dat de mogelijkheden en de onderwijsbehoefte van kind bepalend zijn, niet de beperkingen;
  5. dat kinderen niet meer langdurig thuis komen te zitten.


Het regionale samenwerkingsverband ‘onderwijs dat past’ zet zich in voor passend onderwijs in de regio. Alle schoolbesturen in Schiedam, Vlaardingen en Maassluis zijn aangesloten bij dit samenwerkingsverband. De opdracht is om in gezamenlijkheid kinderen een goede plek op de juiste school te bieden.


Alle onderwijsvoorzieningen van UN1EK werken met een ondersteuningsprofiel. In dit profiel is beschreven welke mogelijkheden de school kan bieden waar het gaat om kinderen met een specifieke onderwijsbehoefte.


Het profiel ondersteunt

  • de school bij het antwoord op de vraag of het kan voldoen aan de onderwijsbehoefte van een leerling;
  • de school en de ouders bij de onderlinge communicatie;
  • de school bij het professionaliseringsbeleid;
  • de school bij het bepalen van de mate waarin zij extra ondersteuning kan bieden;
  • het samenwerkingsverband bij het bepalen van een niveau van basisondersteuning;
  • het samenwerkingsverband bij het bepalen of scholen medegefinancierd zullen worden uit ondersteuningsmiddelen;
  • het samenwerkingsverband om te bepalen of het in staat is om alle leerlingen passend onderwijs te bieden zodat de scholen binnen het samenwerkingsverband aan de zorgplicht van het samenwerkingsverband kunnen voldoen;
  • het samenwerkingsverband bij het arrangeren van extra ondersteuning;
  • het ondersteuningsplan van de school, waarin de praktische uiteenzetting staat beschreven.


Het samenwerkingsverband heeft middelen om de ondersteuning te faciliteren die nodig is. Wanneer er sprake is van een specifieke hulpvraag van de leerling waarin een school wil maar niet altijd kan voorzien, kan een arrangement aangevraagd worden bij het samenwerkingsverband. Een arrangement is het geheel van afspraken, middelen en voorzieningen waarmee een leerling op de eigen lesplaats ondersteund wordt. Meestal is dat in of naast de reguliere school, maar het kan ook op een school voor speciaal (basis)onderwijs plaatsvinden. De aanvraag voor een arrangement gebeurt vanuit het ondersteuningsteam van de school. Het gaat bijvoorbeeld om extra inzet van mensen, speciale lesmiddelen of (fysieke) voorzieningen op school. Een training op de school van de leerling behoort ook tot de mogelijkheden.

Een arrangement moet aan twee criteria voldoen:

  • de leerling moet erdoor gaan leren en zich verder ontwikkelen;
  • de school/het team moet erdoor geprofessionaliseerd worden.


Arrangementen worden in de meeste gevallen binnen de school gerealiseerd, al dan niet met behulp van middelen, menskracht of expertise van buiten de school. De ondersteuning kan licht en/of kortdurend van aard zijn, maar ook zwaar en/of langdurig. Het ondersteuningsteam op de school speelt een belangrijke rol, zij ontwikkelen de arrangementen of stellen ze samen. Het team stuurt bovendien het voortraject aan, waarbij zij eventueel kan besluiten tot het onderzoeken van of afnemen van tests bij een leerling. Dergelijke onderzoeken worden via het samenwerkingsverband uitgevoerd en gefinancierd. Alle scholen van UN1EK werken met ondersteuningsteams. In dit team zijn school, ouders, een medewerker van het samenwerkingsverband en andere belangrijke betrokkenen vertegenwoordigd.


Dit team probeert zo vroegtijdig mogelijk – liefst preventief - invulling te geven aan de ondersteuningsvraag van de school voor een leerling.

Soms hebben kinderen (gedrags-)problemen waardoor het niet mogelijk is om hen op een adequate manier (passend) onderwijs aan te bieden. In overleg met de ouders gaan we dan over tot overplaatsing of zoeken we een andere oplossing.


Ook komt het af en toe voor dat leerlingen ontoelaatbaar gedrag vertonen. Dat is bijvoorbeeld het geval als er sprake is van fysiek geweld of pesten/intimidatie van andere leerlingen en/of personeel. Die situaties proberen we in goed overleg op te lossen. Soms echter lukt dat niet of niet direct en is het vanuit de verantwoordelijkheid die de school voor alle leerlingen heeft, noodzakelijk om het betreffende kind te schorsen.


Het doel van een schorsing is altijd herstel van de rust en de orde op de school en borging van de zorg voor en de kwaliteit van het onderwijs aan de leerlingen. Schorsing van een leerling is nooit een doel op zich en is ook nooit het einde van een proces. Het is een middel om tot een betere oplossing te komen. Als dat lukt kan de geschorste leerling weer terugkeren op school.


In het verslagjaar hebben we in vier situaties over moeten gaan tot schorsing van een leerling. In drie van deze vier situaties bleek terugkeer naar de school niet mogelijk en is er in goed overleg met betrokkenen overplaatsing naar een andere school gerealiseerd, waarvan in één situatie naar speciaal basisonderwijs.


Sommige situaties en incidenten zijn dermate ernstig dat al direct duidelijk is dat de leerling niet meer op school te handhaven is. In die situaties wordt er een verwijderingsprocedure opgestart. Dit zware middel hebben we in het jaar 2018 gelukkig niet in hoeven te zetten.

Onderwijskwaliteit

Schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de onderwijskwaliteit binnen de door de overheid gestelde kaders. Intern worden de ontwikkelingen op het gebied van onderwijs gevolgd en waar nodig bijgestuurd. Naast intern toezicht is er sprake van extern toezicht door de onderwijsinspectie.

De onderwijsinspectie voert sinds 2008 voor alle basisscholen jaarlijks een risicoanalyse uit. Dit leidt tot een inschatting van het risico op onvoldoende kwaliteit volgens vooraf gestelde criteria. De onderwijsinspectie maakt gebruik van drie bronnen voor de risicoanalyse:

  • de leerresultaten van de leerlingen;
  • signalen uit de samenleving (bijvoorbeeld klachten of krantenartikelen);
  • kengetallen en jaarstukken uit voorgaande jaren (kwaliteitsontwikkeling, personeel, leerlingen, financiën).


Eén van de onderdelen van de risicoanalyse van de onderwijsinspectie betreft de eindresultaten van de scholen. Alle scholen van UN1EK hebben in 2018 eindtoetsen afgenomen die zijn goedgekeurd door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). De meeste scholen namen in 2018 de CITO eindtoets af; enkele scholen kozen voor de IEP eindtoets. Basisschool Het Anker koos voor de digitale eindtoets van Route8. SBO De Parasol maakt gebruik van de drempeltoets, die geschikt is voor de doelgroep kinderen in het speciaal basisonderwijs. Deze toets wordt niet vergeleken met landelijke scores. De ondergrens van de score geeft de minimumkwaliteit aan waaraan de school moet voldoen. Scholen die onder die minimumgrens scoren worden als onvoldoende beoordeeld. Bij de beoordeling en normering wordt rekening gehouden met de doelgroep kinderen.


De eindscores in 2018 laten zien dat 12 van de 15 reguliere basisscholen voldoende eindresultaten laten zien zoals verwacht mag worden, gezien het percentage “gewichtenleerlingen”. Twee scholen laten resultaten zien onder de ondergrens. Met deze scholen is gekeken naar een verklaring hiervoor; op één school wordt in dit verband externe ondersteuning geboden. De SBO school is hierbij buiten beschouwing gelaten.


Met ingang van augustus 2017 hanteert de onderwijsinspectie een nieuw toezichtkader. Er wordt gekeken naar de deugdelijkheidseisen zoals deze in de wet gesteld worden. Daarnaast is er ook ruimte voor de eigen aspecten van kwaliteit zoals het bestuur deze geformuleerd heeft. Deze kwaliteitsaspecten hebben betrekking op de ambities en doelen die een bestuur zelf stelt. Dit gaat verder dan basiskwaliteit. Vanuit de stimuleringsfunctie onderzoekt de inspectie hoe deze elementen bijdragen aan (de continue en duurzame verbetering van) de onderwijskwaliteit. De inspectie voert het gesprek hierover met scholen en besturen en in rapporten maakt de inspectie helder onderscheid in oordelen die voortvloeien uit de deugdelijkheidseisen en bevindingen die gaan over eigen aspecten van kwaliteit.


Het uitgangspunt is dat het onderwijsbestuur zelf de verantwoording draagt voor het verbeteren van de onderwijskwaliteit en dat het bestuur dat scherp monitort.


Kwaliteitsbeleid

Het kwaliteitsbeleid voor het onderwijs wordt inzichtelijk gemaakt en samengevat in onderstaande poster. Deze poster is breed verspreid en gedeeld met alle scholen.

Kritische Prestatie-indicatoren

Op gebied van onderwijs, opvang en kwaliteit heeft de werkgroep Onderwijs, Opvang en Kwaliteit (OOK) samen met belangrijke stakeholders de kritische prestatie indicatoren benoemd en uitgewerkt. Het bestuur is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van de organisatie en daarmee ook voor de kwaliteit van het onderwijs. De onderwijskwaliteit wordt bepaald door een groot aantal indicatoren. De werkgroep Onderwijs Opvang en Kwaliteit (OOK) heeft een overzicht met prestatie indicatoren opgesteld die bepalend zijn voor de kwaliteit van onderwijs. De directeuren en managers hebben gezamenlijk bepaald welke prestatie indicatoren kritiek zijn, willen we de onderwijskwaliteit op korte termijn binnen de gehele organisatie op orde houden en nog verder verbeteren.

De kritische prestatie-indicatoren die vastgesteld zijn, waar op gestuurd wordt en die gemonitord worden zijn:

1. veiligheid: hierbij gaat het om voornamelijk emotionele veiligheid: nieuwsgierig zijn, zelfvertrouwen hebben en geen emotionele belemmeringen ervaren, uitgaan van competenties, autonomie en relatie, het bieden van een passend aanbod;

2. zicht op ontwikkeling: het volgen van de ontwikkeling van kinderen (in brede zin), het analyseren van de resultaten en het bespreken er van met ouders;

3. didactisch handelen: hierbij verstaan we onder andere didactisch gedrag, instructievaardigheden, interactievaardigheden, groepsmanagement;

4. ondersteunend en stimulerend schoolklimaat: hierbij verstaan we binnen een professionele cultuur, waarin verantwoording geven, nemen en afleggen gewoongoed is, waar gewerkt wordt aan een uitdagende en rijke leeromgeving, met een effectief klassenmanagement, waar de expertise van medewerkers passend wordt ingezet;

5. doelen, evaluatie en monitoring: de aanwezigheid van en kwaliteit van onder andere meerjarenplannen, jaarplannen, verbeterplannen en beleidsplannen; vanuit de Plan, Do, Check, Act cyclus (zie ook de figuur op de vorige pagina).

De uitwerking van de kritische prestatie indicatoren in SMART doelen is opgenomen in het digitale handboek Manual Master Starling. Aan de hand van de managementrapportages monitort het bestuur de indicatoren.

Interne audits

Het uitgangspunt van de interne audits is om de inhoudelijke kwaliteit van het pedagogisch handelen en de onderwijskundige ontwikkelingen in kaart te brengen. Vijftien opgeleide medewerkers vormen vier teams van auditoren.


UN1EK heeft de ambitie om met behulp van interne audits in de toekomst het volgende te bereiken:

  • binnen UN1EK is sprake van een gemeenschappelijk werkkader op het gebied van onderwijskwaliteit en pedagogische kwaliteit;
  • medewerkers (i.c. interne auditteams) geven feedback op de kwaliteit van elkaars scholen/IKC’s (stimuleren van school/IKC ontwikkeling);
  • directeuren gaan op basis van de uitkomsten van de audits aan de slag met de kwaliteitsontwikkeling op hun eigen school/IKC;
  • het bestuur heeft zicht op de kwaliteitsontwikkeling van de scholen/IKC’s (monitoring; intern toezicht).


In 2018 hebben we vervolg gegeven aan de interne onderwijsaudits. Er zijn vier locaties geaudit, waarbij de auditoren begeleid zijn in het uitvoeren hiervan, als opvolging van de training en uitvoering van de audits in 2017. Het bestuur ziet dit als een ontwikkelingsinstrument.


Naar aanleiding van de interne audits in 2017 en de training van de auditoren is in samenwerking met een extern adviesbureau een training voor intern begeleiders opgezet en is daar een start mee gemaakt in het najaar van 2018. De training zal vervolg krijgen in 2019


Uitstroomgegevens

Om de onderwijsontwikkelingen te monitoren wordt al een aantal jaren gekeken naar welke vorm van voortgezet onderwijs leerlingen van groep 8 uitstromen. De gegevens worden verwerkt in het administratiesysteem ParnasSys. We onderscheiden drie niveaus:

  • een lagere vorm van voortgezet onderwijs die leerlingen uitrust met vooral praktische vaardigheden;
  • een middenniveau van voortgezet onderwijs, dat leerlingen voorbereidt op een mbo-opleiding;
  • een hoger niveau van voortgezet onderwijs dat leerlingen schoolt om door te stromen naar een hogere beroepsopleiding of een opleiding op wetenschappelijk niveau.


Conform de regels uit 2015 wordt het schooladvies nu gegeven vóór 1 maart en is dit gebaseerd op alle onderwijsjaren en de bijbehorende resultaten. Dit schooladvies is bindend.


De CITO-toets of een andere toegestane eindtoets wordt afgenomen in april en dient als tweede gegeven. Op basis van de eindtoets kan een advies alleen naar boven bijgesteld worden.


Wat opvalt uit de cijfers over de schooladviezen is dat na een forse afname in 2017 van het aantal adviezen VWO, dit in 2018 weer is gestegen tot het niveau van 2016. Niet duidelijk is waardoor dit wordt veroorzaakt.


De daadwerkelijke uitstroom van de leerlingen vertoont een relatief stabiel beeld: iets meer dan de helft van de leerlingen stroomt uit naar een vorm van vmbo-onderwijs, al dan niet met leerwegondersteuning. Daarnaast zet ruim 40 % van de UN1EKe leerlingen zijn of haar schoolloopbaan voort op een HAVO of VWO en stroomt een klein percentage uit naar praktijkonderwijs of speciaal voortgezet onderwijs.


Ontwikkeling leerlingenaantal

In 2018 is de daling van de afgelopen jaren van het aantal leerlingen dat onderwijs volgde bij UN1EK, tot staan gebracht. In het verslagjaar groeide het leerlingenaantal met 1,5 % licht van 4.497 in 2017 tot 4.563 in 2018.


Door de realisatie van de nieuwe locatie van IKC De Kindertuin (vh. Spectrum Maassluis) is er inmiddels een lichte groei van het aantal op deze school zichtbaar. Op basis van demografische gegevens gaan we ervan uit dat die groei zich de komende jaren doorzet. De locatie is daarop berekend. Eenzelfde scenario is voorzien voor IKC De Schakel; deze locatie wordt in 2019 ingrijpend gerenoveerd en is met ingang van het schooljaar 2019-2020 een zeer aantrekkelijke school in een “groeiwijk”. Bovendien wordt de instroom van leerlingen op middellange termijn (3 tot 5 jaar) bevorderd door het integrale van aanbod opvang en onderwijs.


Het totaal aantal leerlingen in het primair onderwijs in de regio Vlaardingen/Schiedam Maassluis fluctueerde de afgelopen jaren licht en bleef overall ongeveer gelijk. In het jaar 2018 is er sprake van een relatief forse toename in het leerlingen aantal van 547.


Kennisplein

Kennisplein bestaat uit twee medewerkers. Deze medewerkers zijn gespecialiseerd op het gebied van leesproblemen en dyslexie. Een medewerker is orthopedagoog-generalist en kan vanuit deze functie onderzoeken verrichten die soms nodig zijn om kinderen te voorzien van een passend onderwijsaanbod of voor verwijzing naar een andere vorm van onderwijs. Ook kan zij beoordelen of er sprake is van dyslexie, zodat kinderen in aanmerking komen voor gerichte aanpassingen die hen helpen bij het leerproces. Alle scholen kunnen gebruik maken van de expertise van de medewerkers Kennisplein. De bekostiging is centraal geregeld. Hiervoor worden onder andere middelen vanuit het samenwerkingsverband ingezet.


Onderwijsachterstandenbeleid

Schiedam, Vlaardingen en Maassluis kennen elk een eigen achterstandenbeleid. In Vlaardingen werken IKC De Schakel, IKC Prins Willem Alexander en IKC De Ark met zg. schakelklassen om kinderen afkomstig uit andere landen die de Nederlandse taal onvoldoende beheersen te ondersteunen om zo in te stromen in het reguliere basisonderwijs.

De middelen voor achterstandenbeleid staan onder druk. Voor 2018 zijn er nog middelen toegekend, maar onduidelijk is of dit voor het jaar 2019 weer zal gebeuren. UN1EK heeft dit risico in beeld.

In Maassluis is er De Diamant (vh. Centrale Opvang Maassluis (COM)). Deze voorziening bood altijd plaats aan maximaal 32 kinderen, in twee groepen. Met ingang van het schooljaar 2017/2018 is er echter een derde groep, om de groei van het aantal kinderen op te kunnen vangen. Hierdoor is een tekort op deze voorziening gerealiseerd. Gemeente en de betrokken schoolbesturen hebben afgesproken dit tekort gezamenlijk te dragen. Voor 2019 is er ter dekking van deze extra kosten door de gemeente eenmalig extra subsidie toegezegd.

Sinds 2015 is De Diamant gehuisvest in het gebouw van De Parasol. De directeur van De Parasol is eindverantwoordelijk.